Is reizen het nieuwe roken?

Freek Vonk zat aan tafel bij Humberto Tan. Hij vertelde over de reizen die hij had gemaakt voor zijn programma. Op welke bijzondere plekken hij was geweest, welke speciale dieren hij had gezien. Gorilla’s? O, die heb ik ook gezien, zei een andere tafelgast. O, ik ook. Ik ook. Bijzondere walvissen? Ook gezien, reageerde opnieuw een tafelgast. Ik ook. Ik ook.

Een wonderlijk gesprek werd het. Vonk gaat er prat op dat hij op de bijzonderste plekjes op aarde komt, maar een willekeurige tafel gasten kan zo met hem meepraten. Been there, done that. Vonks wilde avonturen waren in een oogwenk teruggebracht tot niet zo bijzonder massatoerisme. Waar Vonk komt, komen wij ook.

De laatste jaren ga ik op vakantie naar Frankrijk, Texel, Limburg of Engeland. Overzichtelijke vakanties, want jonge kinderen. Stiekem hoop op de tijd dat we met een camper door de Verenigde Staten kunnen rijden, naar Zuid-Afrika kunnen gaan of die gedroomde trip naar Nieuw-Zeeland kunnen maken. Vakanties uit de tijd van voor de kinderen. Toen kon in principe alles. In mijn geval was dat niet altijd zo heel erg avontuurlijk, maar in principe was alles bereikbaar en haalbaar.

Maar moeten we dat echt willen? Is het wenselijk dat ook het laatste uithoekje van de wereld wordt ‘ontdekt’ door massa’s toeristen? Deze week stelde Tegenlicht zich die vraag. Het was een verontrustende reportage waarin reizen het nieuwe roken wordt genoemd. Ik vind het niet zo’n sterke vergelijking, omdat dit niet om individuele risico’s gaat maar om een groot gezamenlijk gevaar. Wel vergelijkbaar is dat het een sluipmoordenaar is. Pas langzamerhand ontdek je de risico’s.

Dankzij snel gestegen welvaart en krankzinnig goedkope vluchten wordt de ene helft van de wereld overspoeld door de mensen uit de andere helft. Iedereen móet die unieke gorilla’s met eigen ogen zien, die onneembare bergtop bereiken en die kwetsbare koraalriffen met eigen ogen zien. In sommige steden zijn de grenzen echt bereikt. Barcelona, Venetië en Amsterdam kotsen hun toeristen uit.

Een toerisme-expert vertelde in Tegenlicht dat spreiding van toeristen en verduurzaming van de sector maar tijdelijk helpt. Uiteindelijk zal de wal het schip keren. Reizen als zogenaamd grondrecht is onhoudbaar. Te veel toerisme is slecht voor de betreffende gebieden, slecht voor het welzijn van de daar wonende mensen, schadelijk voor natuur en klimaat. Maar ja, toerisme bréngt ook veel welvaar. En mensen die het zich kunnen veroorloven willen de wereld ontdekken. Wat is nu mooier dan in aanraking komen met andere culturen en onbekende natuur? Dat is toch een enorme verrijking?

De aangedragen oplossing in Tegenlicht vond ik nogal abstract. En de commentatorstem besloot met een ronduit moralistisch praatje. Daar kopen we niks voor. Het lijkt een onoplosbaar dilemma. Of zou de volgende generatie dit vanzelf oplossen? Is het maken van verre reizen straks hopeloos ouderwets? Is treinen in Europa het nieuwe vliegen naar Thailand?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *